maandag 13 oktober 2014

Hoofddoekenverbod in Boom krijgt steun uit onverwachte hoek!


De beslissing van het schepencollege van Boom rond het zogenaamde hoofddoekenverbod krijgt steun uit onverwachte hoek. De bekende hulpverleningsorganisatie ‘Het Rode Kruis’ schaart zich achter de beslissing.

In Boom werd vorig jaar beslist om de hoofddoek te bannen uit de gemeenteraad. Het verbod op het dragen van religieuze symbolen stond in een, juridisch niet afdwingbare, deontologische code. Sinds de meerderheidspartijen N-VA, Open VLD en CD&V dat voorstel goedkeurden, kregen ze te maken met een storm van protest. Het Rode Kruis steekt het college van Boom echter een hart onder de riem: ‘Ook in onze organisatie staan de waarden neutraliteit en onpartijdigheid centraal. Wij zijn om die reden dan ook een sterke voorstander van het verbod op uiterlijke kenmerken van politieke of religieuze overtuiging’ aldus Hilde Van Gastel, Manager Opvang Asielzoekers bij Rode Kruis-Vlaanderen. ‘Wij communiceren hierover zeer duidelijk naar de asielzoekers toe tijdens de opnameprocedure in onze centra. Recentelijk zijn we zelfs gestart met een verplichte neutraliteitsprocedure voor nieuwe asielzoekers. Deze procedure richt zich vooral op uiterlijke excessen. Kroezelhaar bijvoorbeeld, dat komt er bij ons niet in!’.

Dat het Rode Kruis onverbiddelijk is getuigt ook kandidaat-vluchteling Ben Adil uit Panama: ‘Ik droeg sinds mijn 8 jaar met trots een dikke zwarte snor. Bij mijn aankomst aan het opvangcentrum van Lanaken werd ik voor de keuze geplaatst: snor eraf of terug naar huis. Eerst begreep ik de ophef niet, maar algauw besefte ik dat mensen achter mijn snor een zekere politieke overtuiging zouden zoeken’ (Zwarte snorren staan in Panama symbool voor een uiterst-linkse orthodoxe stroming van intellectuelen die zich bezig houden met de studie van de Hegeliaanse filosofie, nvdr). Van Gastel meent dat het voorbeeld van Adil treffend is: ‘Tot enkele jaren geleden hadden we regelmatig te maken met immense knokpartijen in onze opvangcentra; vaak was de aanleiding hiervoor een uiterlijk kenmerk, bijvoorbeeld een dikke neus, een rosse baard,… je kent dat wel. Zeer terecht natuurlijk, deze kenmerken kunnen vaak zeer kwetsend zijn voor andere bevolkingsgroepen. Sinds we met harde hand de neutraliteit in onze centra hebben ingevoerd, heeft er zich geen enkel incident meer voorgedaan’.

Op Radio 1 toonde Ben Weyts, kamerlid van de N-VA, zich opgetogen met de openlijke steun van het Rode Kruis. Hij wees er fijntjes op dat het geen toeval is dat Het Rode Kruis-Vlaanderen zo’n uitmuntend beleid kan voeren gelet op de splitsing van het Belgische Rode Kruis in 1972. ‘Alleen spijtig dat men van deze splitsing geen gebruik heeft gemaakt om de kleur van het kruis te vervangen. Het Gele Kruis had de Vlaming veel meer aangesproken’. Het verhaal van Ben Adil leek Weyts zelfs persoonlijk aan te grijpen: ‘Ook ik droeg vroeger een snor, zij het van het fijne blondere soort. Net als mijn naamgenoot Ben Adil werd ik voor de keuze geplaatst: scheren of geen toegang tot de Volksunie. Maar neutraliteit heeft een prijs. Het is geen toeval dat wij er binnen de N-VA allemaal uitzien als grijze muizen.’





Toren Belgische staatsschuld ingestort


Paniek gisteren in onze hoofdstad: De toren van de Belgische staatsschuld, een van onze meest bekende monumenten, ging er onverwacht tegen de vlakte. Gelukkig vielen er geen slachtoffers: de toren was reeds jaren een lege doos.

Bouwkundige ingenieurs spreken van een mirakel dat de toren nu pas instort: “Het bouwwerk tartte al sinds de officiële opening door PS-minister Guy Mathot de wetten van de natuurkunde. Volgens onze berekeningen hadden de fundamenten het reeds tien tot twintig jaar geleden moeten begeven”. Waarom de toren het juist nu begeeft, heeft men het raden naar: ‘Wij vermoeden dat de recente constructie van 30 nieuwe luxe verdiepingen bovenop de bovenste verdieping het bouwwerk fataal is geworden, al blijft het natuurlijk gissen naar de exacte oorzaak’.

De toren stamt uit de jaren tachtig en werd beheerd door ‘Het Agentschap van de Schuld’. Deze instelling is belast met het beheer van de federale staatsschuld. De voornaamste doelstelling van deze dienst leek simpel: ‘Hou de financiële kost van de federale Staatsschuld zo laag mogelijk’.  Al gauw bleek echter dat het agentschap er meer baat bij had om een zo groot mogelijke staatschuld te beheren, zodat het meer ambtenaren kon aantrekken. In twintig jaar tijd groeide het agentschap dan ook uit tot een mastodont met meer dan tienduizend ambtenaren. Jean Deboutte, directeur bij het Agentschap, maakt zich sterk dat er geen afvloeiingen zullen gebeuren, nu er voor hen in theorie ook geen werk meer is: ‘In principe verandert er voor onze mensen niets. Al onze ambtenaren werken immers reeds jaren van thuis uit. Dus of die toren er nog staat of niet, dat maakt voor ons niets uit.’ Op de vraag of er geen overheveling van personeel naar andere agentschappen aan de orde is, reageert Deboutte kordaat: “Wij hebben samengezeten met de vakbonden en zijn tot de gezamenlijk stelling gekomen dat mutaties naar andere diensten onmogelijk zijn. De competenties van onze ambtenaren zijn zo zeldzaam, dat zij onmogelijk in te zetten zijn in andere diensten.’

Op de plaats waar de toren zich bevond, gaapt nu een enorme krater. De discussie wat er met de vrijgekomen ruimte zal gebeuren barstte gisterenavond reeds in alle hevigheid los.
Premier Michel liet weten zo snel als mogelijk te zullen werken aan de bouw van een nieuwe toren. Hij heeft hier naar eigen zeggen slechts 1 jaar voor nodig. Een huzarenstukje dat hij in het verleden reeds voor elkaar kreeg in zijn Waalse thuishaven. Mark Eyskens is dan weer een vurig voorstander van de oprichting van een monument in de vorm van een reusachtige atoombom:  “Om de Belgische burgers blijvend te herinneren aan de derde wereldoorlog”.

Het is nu bang afwachten hoelang dat andere bekende Belgische statussymbool, het torenhoge ego van Bart De Wever, nog zal standhouden. Fysici  hebben berekend dat een ontploffing te verwachten valt ergens in 2015 ‘als dit gebouw zich verder zo exponentieel blijft uitzetten’.

 

donderdag 4 september 2014

Rood


Groen. Tuur stapte de straat over en wipte op het voetpad. Hij was er bijna. Een lange dag werken en nu kon hij eindelijk naar huis rijden. ‘Hopelijk is er geen file’, dacht hij. ‘Het is al laat genoeg’. Hij parkeerde zijn wagen hier elke ochtend, een paar straten verwijderd van zijn werk. Hier was altijd plaats, en de korte afstand naar zijn werk stoorde hem niet. Er was net genoeg tijd om een sigaretje op te steken. Toen hij voor zijn wagen kwam gooide hij zijn sigaret achteloos naast zich neer. Op het voetpad. Hij doofde ze met zijn schoen. Zijn hand stak hij uit naar de deur van zijn wagen.
Fwiiiiet.
Een fluitsignaal weerklonk. Tuur schrok. Hij draaide zich om en zag een vrouw op hem afstappen. Ze had een fluitje in haar mond en greep naar haar borstzak. Tuur besefte het al: een gele kaart. Ja, daar had je ze: ze hield de kaart met een strakke arm in zijn richting. Ostentatief. Ze wachtte even en liet de kaart toen zakken. Ze stak ze terug in haar borstzak en nam vervolgens haar smartphone.
‘Nummer?’ vroeg ze streng.
‘79110725201’
Zijn rijksregisternummer. Hij wist wat er nu gebeurde. De vrouw gaf het nummer door aan de centrale databank. Ze tokkelde de cijfers in op haar scherm.
‘Rotwijf’ mompelde Tuur tussen zijn tanden.
‘Wat?’ Ze keek op met een streng gezicht. Haar hand was klaar om naar haar achterzak te grijpen. ‘Niets’ zei hij snel met een uitgestreken gezicht. Een rode kaart om een stomme sigaret, dat zou helemaal te gek zijn. Hij kon maar beter weggaan. Hij draaide zich om en stapte in zijn wagen. Aan het rode licht stond een man met een vlag. De vlag bleef beneden , dus kon Tuur doorrijden. Dat ging vlot. Zijn dag was dus nog niet helemaal om zeep na die gele kaart. Hij had deze maand al twee gele kaarten achter zijn naam, realiseerde hij zich. Nog één, en er wachtte hem een schorsing van één dag. Dat betekende: een hele dag thuis opgesloten zitten. En ook: geen loon, geen elektriciteit, geen internet, niets. Alles werd afgesloten. Hij draaide zijn wagen de snelweg op en reed op het eerste baanvak netjes onder de snelheidslimiet. De scheidsrechters konden overal zijn, hij lette dus wel op. Maar snel ging het niet zo, dus draaide hij de radio aan.
Na een grondige evaluatie van het rechtssysteem, heeft de rechtscommissie besloten dat we op het ingeslagen pad verder zullen gaan. We zullen het systeem daarom verder uitbreide…’ Verdomme. Tuur duwde de radio uit en vloekte. Het was de stem van minister Rijckswijck, de kwal. Nu was zijn dag helemaal verknoeid. En zeggen dat hij er destijds nog zelf op gestemd had ook. Het leek ook zo’n goed idee. Hij kon het allemaal mooi uitleggen. In voetbaltermen, zo praatte die Rijkswijck voortdurend. ‘We zullen scoren met dit beleid’, ‘Het gaat er niet om het onderwijs buitenspel te zetten’ of ‘De minister heeft een kans voor open doel gemist’. Zijn smalltalk sloeg aan: van nobody tot minister van justitie in minder dan een jaar. En eens verkozen ging hij een stapje verder. Een grote stap zelfs. Rijckswijck bleef niet alleen praten in voetbaltermen, hij ging ze ook effectief toepassen: een gele kaart voor kleine overtredingen, een rode voor zware delicten. En twee keer geel was ook gelijk aan rood. Het was simpel en duidelijk. En dus sloeg ook dat aan. De politie had Rijckswijck, de hufter, afgeschaft en vervangen door vrijwilligers. Vrijwillige scheidsrechters.
‘Rijkcswijck, de hufter’. Tuur zuchtte. Zijn humeur was danig verstoord toen hij thuis uitstapte. Hij dacht er even aan een sigaret op te steken, maar liet het maar zo. Dat kon weer tot gedoe leiden. Hij parkeerde zijn wagen op zijn oprit, stapte uit, en zag dat er een brief in de brievenbus stak. De witte enveloppe stak er voor de helft uit. Hij was bijna aan de bus toen hij een stem hoorde. Het was zijn buurman. Nog zo’n hufter. Hij had al twee keer meegedaan aan het examen voor scheidsrechter, maar was niet geslaagd. De eerste keer niet en de tweede keer niet. Naar verluid had hij het de tweede keer er zelfs slechter vanaf gebracht dan de eerste keer.
‘Tuur, wacht even! Ik moet je iets vragen’.
‘Wat heeft die zaag nu weer nodig?’, dacht Tuur terwijl de buurman op hem afstapte. Maar dan gebeurde er iets vreemd. Een meter voor Tuur liet de buurman zich vallen. Hij kronkelde als een slang over de stoep en krijste luid.
‘Een hartaanval?’ vreesde Tuur meteen en hij boog zich naar zijn buurman. ‘Gaat he…’
Fwiiiet. Net op dat moment klonk er weer een fluitsignaal. Fwiiiieet, luid en schel. Tuur keek op en keek knal tegen een rode kaart aan. Magda, de vrouw van de buurman. Ze was gekleed in een zwarte outfit en keek hem streng aan. Zij was blijkbaar wel geslaagd in het examen. Ze stond daar te zwaaien met haar rode kaart. ‘Eruit!’, riep ze en ze wees met de kaart nog in de hand naar de voordeur van het huis van Tuur.
‘Maar ik heb niets gedaan’, stamelde Tuur.
De buurvrouw schudde met haar hoofd en begon zijn rijksregisternummer al in de smartphone te tikken. Blijkbaar kende ze het nummer uit haar hoofd.
‘Het was een schwalbe!’, protesteerde Tuur  ‘Dat was toch duidelijk. Ik heb hem niet geraakt!’ Hij keek om naar zijn buurman, die was ondertussen al recht was gekropen. Hij trok zijn kousen over zijn broek recht omhoog en grijnsde naar Tuur.
Tuur wou hem slagen, maar dat zou de schorsing nog zwaarder maken. Dus droop hij af.
Met afhangende schouders stapte hij naar binnen. ‘Het was een pure schwalbe!’ riep hij nog. Hij sloeg de deur achter zich dicht en trapte een kartonnen binnendeur stuk. Een schorsing van minstens drie weken. Dat was nu al zeker…

dinsdag 2 september 2014

Roddels

Ze vindt zichzelf altijd beter dan de rest. Beter dan ons.
Over wie heb je het?
Over Negen natuurlijk.
Waarom denk je dat?
Wel, ze zegt altijd dat ze meer is dan ons.
Ze liegt toch niet?
Neen, maar daarom moet ze het er zo nog niet inwrijven. Wij kunnen er ook niet aan doen dat we minder dan haar zijn.
‘Minder, minder’, dat is relatief natuurlijk.
Wat bedoel je?
Wel, als ze haar streepje draagt, dan is zij weer minder dan wij. Dan is ze zelfs minder dan wanneer wij ons streepje dragen. Dan is ze het minst van ons allemaal.
Ja, maar ze draagt het niet graag. Dat weet iedereen.
Neen, en dat kunnen we haar niet kwalijk nemen. Niemand van ons draagt het streepje graag. Het geeft zo’n negatieve indruk, terwijl we eigenlijk allemaal positief zijn.
Tenzij we zeuren over het gedrag van Negen natuurlijk. Dan zijn we negatieve positieven. (lacht)
Das waar! (lacht ook).
(Stilte)
Vroeger was ze nochtans zo niet.
Wat bedoel je nu weer?
Wel, Negen. Vroeger gedroeg ze zich niet zo uit de hoogte.
Is dat zo? Ik heb er eigenlijk nooit veel op gelet.
Komaan, dat weet toch iedereen. Het is allemaal begonnen door Eén. Hij voelde zich ‘de man’ en wou overal en altijd de eerste zijn.
Ja, dat weet ik wel nog.
En het ergste was, het lukte hem nog ook. Tot hij door haar eens goed op zijn plaats werd gezet.
Ja. Het besef dat hij minder was dan haar heeft zijn zelfbeeld geen deugd gedaan. Hij dacht altijd dat zij de laatste zou zijn.
(Stilte)

Ik hoop dat hij geen domme dingen doet. Hij is dan wel niet veel waard, voor mij blijft hij toch mijn nummer één.
Ja, voor mij ook. Ik heb hem nooit een nul gevonden.
Neen, ik ook niet.
Van Nul gesproken, heb je al gezien hoe rond die is geworden.
Ja, ik heb het ook opgemerkt. Ze had natuurlijk altijd al aanleiding om rond te worden, maar dat het zo erg zou worden…
Ja, nog erger dan Acht.
(lachen beiden)
Heb je het trouwens al gehoord van Drie? Daar is echt een hoek af, compleet geschift!
Waarom? Komaan zeg het me!
Ze wil een trio met Eén en Twee.
Echt?
Zo heeft ze me zelf gezegd.
Ik geloof haar niet. Dat is zoals Vijf en Zes: veel gepraat, maar als het erop aankomt…
Ja, misschien heb je wel gelijk. Ze zit trouwens in een moeilijke fase. Ze voelt zich nogal oneven.
(Stilte)

Dat begrijp ik. Ik heb dat gevoel ook continu.
Echt?
Ja.
(Stilte)

En ik dacht nochtans dat jij een echte geluksvogel was?
Toch wel, maar soms heb ik ze precies niet allemaal op een rijtje. Dat zal jij wel nooit voor hebben zeker?
Neen, inderdaad.
(Stilte)

Ik kan je wel helpen natuurlijk.
Hoe dan?
We kunnen samen een nummertje maken.
Echt, wil je dat voor me doen?
Met plezier! Maar wel voor eventjes natuurlijk.
Tof, dat vind ik echt lief van je.
Nu doe je me blozen. Kom, ga voor me staan, dan zal je je wel even even voelen…

zondag 24 augustus 2014

Er staat iemand voor de deur...


Vader


De bel gaat.
Wim Paesmans hoort de dingdong, kijkt even op van zijn krant, maar reageert niet. Zijn blik bijt zich vast op de hoofdpagina. ‘De euro in de problemen’ staat er enkele centimeters voor hem in vette letters, maar ze dringen niet tot hem door. Ze staan er gewoon. Er kon net zo goed staan ‘ De euro komt niet in de problemen’. Hij klemt de krant vast als een schild. Hij is een ridder die zijn zwaard verloren heeft en zich enkel nog kan beschermen met zijn schild. Maar het is slechts tijdwinst. De fatale slag zal komen, dat weet Wim ook. Maar toch blijft hij zich verdedigen, het is een natuurwet en hij is geen natuurcrimineel.

De bel gaat opnieuw. Nu lijkt de dingdong dwingender. Luider ook, alsof dat kan met een elektrische bel.
‘Wim, doe open! De bel gaat!’ Suzanne, de vrouw van Wim, klinkt nog dwingender dan de bel. Hij ziet haar niet, maar kan zich inbeelden hoe ze hem vanuit de keuken toeroept. De irritatie staat op haar gezicht te lezen terwijl haar handen in het water soepele rotaties maken. Jaren van herhaling, elke dag dezelfde bewegingen en dat driemaal per dag. Haast zonder te kijken neemt ze een pan van het aanrecht en dompelt die onder. Ze wrijft de spons nijdig heen en weer over de bruine smurrie.  Maar dat ziet niemand. Het gebeurt onder een dikke witte schuimlaag. Pas als de pan terug tevoorschijn komt ziet men het resultaat van de cirkelvormige bewegingen. De pan blinkt, maar Suzanne niet. Nogmaals roept ze: ‘Wim, doe toch open! Ik ben bezig’.

Wim schuifelt onrustig in zijn zetel. Hij hoort de stem van zijn vrouw, hij hoort de bel en hij weet wie er voor de deur staat. Maar net dat is het probleem. Hij weet het en toch wil hij het niet weten. Of beter gezegd: hij wil het wel weten, maar hij wil het niet laten gebeuren. Hij weet wat er dan volgt en hij is er niet klaar voor. Beseft zijn vrouw het dan niet? Blijkbaar kan het haar niets meer schelen. Vroeger wel, dat herinnert hij zich nog goed. Dan zou ze nooit de deur hebben opengedaan. Ze zou hem ook nooit zo hebben toegeroepen. ‘Doe de deur open!’ Die gebiedende wijs, net haar moeder. Net zijn moeder. De woorden lijken een simpele opdracht te geven, niets meer en niets minder. Maar er zit zoveel meer achter. ‘Ik doe nuttige dingen en jij niet’ dat zit er achter die simpele opdracht, net als ‘wees een man en geen slappe vod’.

Maar vandaag niet, denkt Wim. Vandaag ben ik wel een slappe vod. Een slappe vod die opkomt voor zichzelf. Een sterke slappe vod dus. Met een vaste hand slaat hij een pagina om van zijn krant. Hij doet het luid, zodat het kraken van de bladzijden hoorbaar is tot in de keuken. ‘Burgemeester geschorst om naaktselfies’. Wim’s hersenen doen een poging om de letters ditmaal wel betekenis te geven. Maar het mislukt. De cellen moeten alweer een nieuwe dingdong verwerken. Wim weet dat de situatie nu kritisch wordt. Drie dingdongs, dat is een kantelpunt. Hij verwacht dat zijn vrouw nu elk moment uit de keuken kan schieten. Ze zal met een snelle nerveuse tred zijn zetel passeren terwijl ze haar handen afdroogt aan haar schort. Tijdens het passeren zal ze hem een verwensing toeroepen, ‘Verdomme Wim, tamzak’ bijvoorbeeld, maar voor de deur zal haar gezicht zich transformeren. Ze zal met een ontspannen en vriendelijk aangezicht de deur openen en de man binnenlaten. Ze zal zich excuseren voor de lange wachttijd en de man laten voorgaan naar de living, waar hij zit, Wim, met zijn krant. En zo gebeurt. Suzanne schiet hem voorbij, gooit hem een vloek toe terwijl ze haar handen afkuist aan haar schort, pauzeert een seconde voor de deur, en doet dan open. De man stapt binnen. Wim hoort haar iets zeggen. Ze praat tegen de man en klinkt verontschuldigend. Het onafwendbare staat te gebeuren, Wim weet het. Hij heeft het altijd geweten, en toch komt het weer hard aan. Hij heeft zijn krant laten zakken net als zijn schouders.  Enkele seconden later staat de man al voor hem.
‘Goeiemorgen Wim’. De stem van de man klinkt ijskoud. Hij weet ook wel dat hij hier niet meer welkom is. Hij is trouwens op niet veel plaatsen gewenst. Mensen zien hem liever gaan dan komen. Maar dat kan hem niets schelen. Het laat hem koud…
Wim staat niet recht. Hij ziet hoe zijn vrouw hem alleen achterlaat bij de man en terugkeert naar haar keuken. Ze zal het lauwe water laten weglopen en vervangen door nieuw warm water. Dat spoelt het vet beter weg. Ze houdt niet van half werk.
Vanuit zijn zetel kijkt hij de man aan en beseft dat hij weer maanden met hem opgescheept zit…




Moeder

De bel gaat.
Suzanne hoort de dingdong, kijkt even op van haar afwas, maar reageert niet. Haar blik bijt zich vast op de pan. Het is een vuile pan, vol met bruine aangekoekte resten van wat ooit boter was en waarin drie pensen zich even hebben gewenteld. Twee witte en een zwarte. Maar de smerigheid van de pan  dringt niet tot haar door. Ze klemt de steel vast als een zwaard. Het geeft haar een machtig gevoel. Ze zou ermee kunnen slaan. Ze voelt zich als eens ridder die opdoemt uit de nevelen voor haar verslagen opponent, die weerloos op zijn knieën in het stof ligt en smeekt om genade. Maar genade kent ze niet, snel geeft ze de fatale slag. Meer zelfs, ze geeft de fatale slag in stijl: ze heft het zwaard hoog in de lucht en met één rake slag maakt ze een einde aan zijn gejammer. Zijn hoofd rolt weg van zijn lichaam, dat nog even spartelt maar dan neerzijgt in het stof.  Maar ze is geen ridder. Ze blijft gewoon verder afwassen in haar keuken: het is een natuurwet en zij is geen natuurcrimineel. 

De bel gaat opnieuw. Nu lijkt de dingdong dwingender. Luider ook, alsof dat kan met een elektrische bel.
Het werkt op haar zenuwen. Waarom doet hij toch niet gewoon open? Ze kan zich niet langer inhouden en roept:
‘Wim, doe open! De bel gaat!’ Maar ze hoort geen reactie. Ze ziet hem niet, maar kan zich inbeelden hoe hij in de living in zijn zetel zit, weggedoken als een slappe vod achter zijn krant. De schrik staat op zijn gezicht te lezen terwijl hij een bladzijde omslaat. Jaren van herhaling, elke dag dezelfde bewegingen en dat een hele ochtend lang. Nieuws uit een andere wereld. Een wereld van voetballers, politiekers en sterren. Lichtjaren verwijderd van dit huis. Ze hoort nog steeds geen beweging in de living en roept nogmaals: ‘Wim, doe toch open! Ik ben bezig’.
Nerveus tilt ze de pan boven het water en laat het schuim afdruppen op het aanrecht. De pan blinkt maar Suzanne gunt hem geen blik. Ze heeft nu al een pollepel vast. Ze omklemt hem in één hand en met haar andere hand laat ze er de spons hard over gaan, heen en weer. Ze hoort de bel en ze weet wie er voor de deur staat. Maar net dat is het probleem. Ze weet het maar het kan haar niets schelen. Vroeger wel, dat herinnert ze zich nog goed. Dan zou ze nooit de deur hebben opengedaan. Dan was haar man Wim nog mans genoeg om zelf naar de deur te lopen. Bij de eerste dingdong. Hij zou zoiets nooit aan haar hebben overgelaten. Maar nu… Hij was een slappe vod geworden. Een nutteloze slappe vod, net als zijn vader destijds. Die heeft ze ook nooit meer dan twee woorden achter elkaar horen zeggen. Hij zat daar maar, in zijn zetel met zijn krant, terwijl haar schoonmoeder het huishouden deed draaien.
‘Maar niet met mij!’ denkt ze en om haar beslissing kracht bij te zetten wrijft ze nog wat harder over de lepel. Zo hevig dat er wat water en schuim uit de wasbak klotst en op haar schort terechtkomt, net op het moment dat de bel opnieuw gaat. Dit is de druppel. Een derde keer, ze is het beu en schiet uit de keuken. Met een snelle nerveuse tred passeert ze zijn zetel. Ze ziet hem zitten, weggeschuild achter zijn krant en bijt hem toe ‘Tamzak!’, maar zelf hier reageert hij niet op. Snel wrijft ze haar handen droog aan haar schort en enkele passen later staat ze al voor de deur. Hier pauzeert ze even. Ze ademt diep in, probeert zich te ontspannen en opent dan de deur. Ja, het is de man die ze vreesden. Maar ze laat niets blijken.
‘Kom binnen’ zegt ze iets te aardig.  ‘Excuseer dat we u zo hebben laten wachten’.
‘Dat is niet erg. Dat komt wel meer voor!’ De man zegt het met een ijzig lachje. Suzanne krijgt koude rillingen van zijn stem. Ze ziet hoe hij al voor haar de living binnenstapt, recht naar Wim toe. Die reageert nu toch, hij kan niet anders. Hij laat zijn krant zakken, maar zegt niets. Hij zit daar maar, met ingezakte schouders als een geslagen hond.

Ze zucht en keert terug naar haar keuken. Met haar wijsvinger voelt ze even in de wasbak. Het water is lauw geworden, zo kan ze niet goed meer afwassen. Ze tast in de bak naar de stop en wanneer ze deze vast heeft trekt ze hem eruit. Het water loopt weg en ze laat uit de kraan heet water stromen. Vanuit de living hoort ze de man praten tegen Wim, die blijkbaar nog steeds koppig weigert iets terug te zeggen. Ze zucht opnieuw en beseft: het zullen weer lange maanden worden.


Zoon

De bel gaat.
Toby duwt op ‘pauze’ en legt dan het bakje van zijn Playstation naast zich neer. Op het scherm staat Tony, de held van het populaire videospel, roerloos met een sniperrifle in de hand, klaar om elk moment terug opgeroepen te worden in volle actie. Hij heeft nog drie levens. Maar Toby kijkt niet meer om naar Tony. Hij is weggedraaid van het scherm en zijn aandacht is nu gericht naar het lawaai dat van beneden komt. Of beter gezegd: het gebrek aan lawaai. Want na de bel blijft het stil in huis. Niemand lijkt te reageren, terwijl hij toch weet dat zijn vader en moeder beneden zijn. Ze hebben net gedaan met eten en daarna is hij naar boven getrokken. Naar zijn kamer, terwijl zijn moeder de afwas doet en zijn vader de krant leest. Zo is het al jaren. Hij herinnert het zich niet anders.

De bel gaat opnieuw. Nu lijkt de dingdong dwingender. Luider ook, alsof dat kan met een elektrische bel.
Het werkt op zijn zenuwen. Waarom doen ze toch niet gewoon open? Hij kan zich niet langer bedwingen, verlaat zijn kamer en sluipt naar de overloop. Van hier hoort hij zijn moeder duidelijk roepen:
‘Wim, doe open! De bel gaat!’ Maar er volgt nog steeds geen reactie. Hij ziet ze niet, maar hij kan zich inbeelden hoe zijn vader in de living in zijn zetel zit en hoe zijn moeder de afwas doet in de keuken. Jaren van herhaling, elke dag hetzelfde ritueel.

De stem van zijn moeder klinkt nogmaals: ‘Wim, doe toch open! Ik ben bezig’. Hij herkent de toon: ze klinkt geïrriteerd. Zoals ze tegen hem spreekt als hij weer veel te lang op zijn Playstation zit te spelen. Hij kan er zich helemaal in verliezen. Uren aan een stuk. Dan is hij Tony en voelt hij zich als een held die zombies neerknalt. Headshots.
Maar hij is geen Tony. Weggedoken staat hij van boven toe te kijken naar wat er zich beneden afspeelt. Hij hoort de bel en hij weet wie er voor de deur staat. Maar net dat is het probleem. Hij weet het maar het kan hem niets schelen. Of weinig toch. Vroeger wel, dat weet hij nog goed. Dan was hij zelfs blij als de bel ging. Toen zijn vader nog papa was en de man warm onthaald werd in hun huis. Het betekende het begin van een mooie tijd. Een nieuwe vreemde wereld die zich aanbood. Maar toen hij ouder werd, ebde de verwondering weg en sloeg om naar apathie. Toch bleef die man steeds terug komen, elk jaar opnieuw rond hetzelfde tijdstip, om vervolgens maanden bij hen te blijven. Voelde hij dan niet dat hij steeds meer wrevel in het gezin teweeg bracht? Althans tussen zijn vader en moeder dan, want voor hem maakte het niet veel meer uit. Hij zat meestal toch boven in zijn kamer, bij Tony.

Plots hoort hij beweging: ‘klik klak, klik klak’. De hakken van zijn moeder kaatsen op stenen vloer aan een hoog tempo. ‘Tamzak’, hoort hij haar roepen. Dat moet tegen zijn vader zijn. Hij slikte. Het gebeurt niet vaak dat ze haar ergernis op deze manier ventileert. In hun gezin gebeurt dat meestal in stilte. Zwijgende wreveligheid. Hij hoort hoe ze nu de deur opendoet en weet genoeg: het is weer zover. Stilletjes sluipt hij terug naar zijn kamer en sluit de deur. Hij laat zich vallen op zijn bed, zet een kussen achter zijn rug en raapt het bakje van zijn Playstation op. Zombies en bloedspatten flitsen over het scherm: Toby is terug Tony.




Buurvrouw

‘Waarom doen ze toch niet open?’
Voorzichtig duwt ze het gordijn iets meer open zodat ze een beter zicht heeft op de voorgevel van het huis van de buren. Haar blik flitst schichtig heen en weer, van de houten voordeur naar de man en terug naar de deur. Maar er gebeurt niets, ze blijven roerloos tegenover elkaar staan. Af en toe kijkt ze ook achter haar, om er zeker van te zijn dat haar man de living niet binnen komt. Want hij heeft niet graag dat ze zo naar de buren zit te staren. ‘Wat gaan ons de Paesmansen aan?’ zegt hij dan. Ze haalt dan telkens haar schouders op en zwijgt. Hij heeft waarschijnlijk gelijk maar het is sterker dan haarzelf, en ze doet er toch niemand kwaad mee. Of wel? 

‘Is hij het?’ vraagt ze zich af.
Ja, dat kan haast niet anders. Het is de tijd van het jaar. Hij moet het wel zijn, met zijn donkerblauwe lange jas, zijn witte haar en zijn bleek gezicht. Lijkbleek. Brr, ze voelt hoe de haartjes op haar armen recht komen te staan. Maar dan laat ze snel het gordijn dichtvallen en zet ze een stap achteruit. ‘Heeft hij me gezien?’ vraagt ze zich angstig af. De koude rillingen maken plaats voor warme zweetdruppels. De man had naar haar gekeken. Of zo leek het toch.  Hij had in ieder geval zijn hoofd gedraaid in de richting van hun huis. Ze wacht een paar seconden, maar dan wint de nieuwsgierigheid het weer van de vrees. ‘Hij kan me niet gezien hebben, onmogelijk’. Voorzichtig zet ze terug een stap naar voren en met één hand neemt ze de omslag van het gordijn vast. Ze trekt het net genoeg open om terug te kunnen staren. De man staat er nog steeds en hij kijkt niet meer naar hun huis. Ze ziet nog hoe hij zijn hand van de bel terugtrekt. Hij staat nu alweer te wachten in dezelfde houding. Stokstijf en beheerst. Cool. Alsof het hem niet kan schelen dat ze niet opendoen.

‘Betrapt!’ Haar man zegt het plagerig en prikt in haar zij. Hij is goedgemutst.
‘Shht, stil toch!’ fluistert ze met haar vinger over haar lippen. Ze had niet eens gemerkt dat hij was binnengekomen. Laat staan dat hij zo dicht bij haar was genaderd. Tot haar verbazing blijft een vermaning uit. Hij zegt zelfs: ‘Mag ik ook eens kijken?’
Ze zet een stap opzij en hij neemt haar plaats in. ‘Wie is dat?’ vraagt hij. ‘En waarom doen ze niet open?’
‘Herken je hem dan niet?’ Ze kan nauwelijks geloven dat haar man de figuur niet herkent.
‘Het is de winter’ fluistert ze. ‘De winter staat voor de deur.’


vrijdag 22 augustus 2014

Diva


Ze heeft een prachtig figuur: een fijn gezicht, een bruine huid en brede heupen. En ze is groot. Bovengemiddeld groot. Dat boezemt heel wat mensen angst is, vooral mannen, maar bovenal laat het haar sierlijkheid ten volle uitkomen. En ja, ze geniet ervan, van de aandacht. Camera’s flitsen als zij in de buurt is maar ze laat niet merken hoezeer ze op de aandacht gesteld is, hoeveel ze ervan geniet. Welke vrouw zou dat trouwens niet doen? Maar zoals gezegd: ze toont geen emotie en houdt haar hoofd strak omhoog, alsof ze boven alles en iedereen staat. Bij andere vrouwen zou dit afstotend werken, die hautaine houding, maar niet bij haar. Integendeel zelfs, het maakt haar nog aantrekkelijker. Ze is dan ook een bekendheid want zoveel schoonheid blijft niet lang verborgen. Een echte ster, beroemd van Nieuw-Zeeland tot Mozambique en terug. En zoals alle beroemdheden is ze verantwoordelijk voor een hele merchandisingfabriek: winkeltjes liggen vol met prullen waarop zij staat te blinken. Aanstekers, kaartjes, slabbers,... Noem het en ze staat er op. En de zaken gaan goed, zeer goed zelfs, hoewel ze zelf totaal geen zicht heeft op haar inkomsten. Ze leeft enkel voor de aandacht: zich tonen, dat is waar zij goed in is. Want ze heeft er nooit iets voor moeten doen, voor al die aandacht. Zingen kan ze niet, dansen kan ze niet, sporten kan ze niet. Zij doet gewoon waar ze het beste in is: er zijn en mooi wezen.

Maar ze heeft ook duister kantje: ze weigert kleren te dagen en dat heeft natuurlijk gevolgen. Overdag als het klaar is trachten talloze mannen haar schaamteloos te bestijgen. En ze laat hen begaan, dat choqueert nog het meest. Om eerlijk te zijn, ze vindt het heerlijk als ze diep in haar dringen. Hoewel ze ervoor betalen is het haar niet om het geld te doen. Ze geniet ervan, dat is duidelijk want hoe zou ze het anders al zo lang volhouden? Elke dag weer stelt ze zich voor hen open. Een eeuwige vrijgezelle, dat is haar lot. En niet alleen mannen, neen, zelfs vrouwen laat ze toe. Oud, jong het maakt haar niet uit. Ze betasten haar en bewonderen haar schoonheid. Haar lichaam heeft ondanks al die jaren nog niets van haar schoonheid verloren. Want inderdaad, jong is ze niet meer. Maar wel nog strak, dat wel. Zeer strak.

En ja, ook zij draagt littekens met zich mee. Tijdens de oorlog vergrepen talloze Duitsers zich aan haar. Een naakte Française, daar konden ze natuurlijk niet voorbij marcheren. Maar ze toonde geen emotie, ze liet niets merken. Ook toen hield ze haar hoofd fier rechtop, ondanks de schande, want de hele wereld wist ervan. Ze namen foto’s en video’s van de daad, dat was nog het ergste. Zelfs de oppernazi, ‘Der Führer’, kon het niet laten haar te bestijgen. Maar dat heeft ze gelukkig niet laten gebeuren. ‘Non’, zei ze tegen hem en nors droop hij af. Het was een lichtpunt in een donkere periode.  Maar goed, die is gelukkig lang voorbij.

‘Wil je niet eens op reis gaan?’ vraagt men haar soms wel eens. Maar haar antwoord is steeds hetzelfde:
‘Neen, Nergens is het mooier dan hier.’ En gelijk heeft ze. In het centrum van de stad, met zicht op de rivier. Zo’n locatie is onbetaalbaar.
Vaak wil men haar interviewen, maar dat laat ze niet toe. Dromerig kijkt ze dan voor zich uit, met haar hoofd in de wolken. Dan torent ze boven ons uit, zoals alleen een echte grootheid dat kan. Madame Eiffel, de diva van Parijs…